De valse en de ware Eros, of waarom de vrouw als object beschouwd moet worden

Eros Ramazzotti is een seksist. Of hij was het in ieder geval in het midden van de jaren ‘90, toen hij het nummer “Lei però” (“Maar zij”) uitbracht en hij is het nu nog in zoverre hij het nog steeds ten gehore brengt. Ik bedoel Eros niet persoonlijk aan te vallen, want hij is zeker niet de enige. Zoals algemeen bekend benaderen velen vrouwen nog als stereotypische objecten. Dat doen niet alleen mannen, maar ook vrouwen zelf. En we zien het niet alleen bij personen, maar ook bij instanties, in de media en in veel aspecten van onze taal en omgangsvormen. Maar Eros R. is een duidelijk voorbeeld en het nummer vormt een goed uitgangspunt om het fenomeen nog eens onder de loep te nemen.

 

Dat hij een seksist is lijkt misschien geen wereldschokkend nieuws. Hij is zanger van grootse liefdesliedjes, maar die moeten niet altijd beschouwd worden als letterlijke representaties van het voelen en handelen van hun vertolkers. En hij is Italiaan, en we weten dat in Italië, mede dankzij Silvio Berlusconi’s media-imperium, seksisme nog een heel zichtbaar aspect is van het dagelijks leven. Wat Eros R. opmerkelijk maakt, is dat hij het seksisme openlijk verklaart in een romantisch klinkend nummer, dat er bovendien in de eerste instantie alle schijn van heeft een vrolijke viering van verliefdheid te zijn. Wie naar filmpjes zoekt op Youtube ziet zelfs dat het lied ook wel vergezeld wordt van wuivende palmen op tropische eilanden...

Ik vertaal enkele regels uit het nummer:

 

Ik met jou,

dat gaat ook goed,

ik kan zeker niet klagen nee (...)

 

Maar zij... maar zij

heeft iets, dat.. ik weet niet, ik weet niet,

ik kan het niet uitleggen,

het is iets ‘meer’,

dat jij jammergenoeg niet hebt,

niet hebt, dat jij niet hebt.

                          

En de lichamelijke kant, die heeft er niet mee te maken

dat denk ik niet

maar misschien is dat een leugen

en als ik vervolgens bij jou naar binnen kijk,

dan ben jij duidelijk mooier

dat zie ik wel.

 

(...)

Als ik een kind zou willen

Dat zou ik, geloof me, met jou doen

Als ik behoefte heb aan advies

Vertrouw ik op dat van jou

Ik weet dat het oprecht is

 

Maar zij.. maar zij....!

 

Eros R. gaat ervan uit dat het eenvoudige feit dat een ander een bepaald, niet duidelijk omschreven, verschil vertoont ten opzichte van zijn vriendin, hem een legitiem motief verschaft om te overwegen zijn opgekomen verlangens naar die ander te vervullen, dat hij het recht heeft hetgene dat zijn vriendin “niet heeft” (of, misschien, niet lijkt te hebben?) zich toe te eigenen. De veronderstelling lijkt te zijn, dat de romantische liefde een zo volledig mogelijk object nastreeft –  en die valt vanaf een bepaald perspectief misschien te verdedigen. Maar ongeacht of de veronderstelling legitiem is, de onexcuserende en bovendien misplaatst romantische toon van het nummer is dat wat mij betreft zeker niet.

 

Maar wat het geheel nog het meest onsmakelijk maakt, is het feit dat het onderscheid tussen de vriendin en de ander gevat wordt in de stereotypen van de Heilige en de Hoer, waartoe de vrouwen respectievelijk worden gereduceerd. De beschrijvingen van Eros R. schetsen beelden van aan de ene kant de maagdelijke moeder, tot wie een man zich wendt voor geborgenheid en advies, en aan de andere de dame die dienst doet voor puur genot en het uit laten komen van al zijn fantasieën. De eerste vrouw is mooier aan de binnenkant, maar de tweede aan de buitenkant. De tweede roept iets in Eros op dat hij “niet kan uitleggen”, maar dat de eerste – zo zingt hij met muzikale en tekstuele nadruk – jammergenoeg niet heeft. De eerste is “oprecht” en zal hem niets dan goeds geven, bijvoorbeeld advies en een nakomeling, en dat doet ze vanzelfsprekend ook nog nadat zij dit lied te horen heeft gekregen. Maar de tweede heeft iets “meer” dan eerlijkheid en onvoorwaardelijke aandacht. En het is dankzij de tweede, dat Eros de eerste een “leugen” vertelt.

 

De twee stereotypische objecten zijn te vergelijken met twee archetypische vrouwen uit de Homerische Odyssee. Daar hebben we aan de ene kant Penelope, de deugdzame en liefhebbende vrouw, de moeder, het thuis- en eindpunt van de reis van Odysseus; en aan de andere Calypso, tovenares en verleidster, die zelf verlangens heeft, die de held voor eeuwig bij zich wil houden op haar tropische, overvloedige eiland, en hem hiertoe in haar ban houdt. In het epos zorgen de goden er uiteindelijk voor, dat de oorlogsheld afgescheept wordt door Calypso zelf, zodat hij terug kan keren naar zijn thuisland, naar Penelope. Maar in het lied van Eros R. is er geen oorlog die hem dwingt de zee op te gaan, waar hij vervolgens door tovenaressen afgehouden wordt van thuiskomst: de weg van deze held begint met de vanzelfsprekende aanname dat vrouw en vaderland verloochend mogen worden ten dienste van de bevrijding van zijn verlangens.

 

Van een ander perspectief bezien hebben we hier te maken met twee externaliseringen van het subject, c.q. de man, zelf. Het is een persoonlijke tweespalt die het voor Eros R., en velen met hem, onmogelijk maakt degene die hij als zijn thuishaven ziet, tegelijkertijd te ervaren als object van zijn verlangens. Enerzijds is er het zelfbeeld als ordelijke, rechtvaardige en wijs handelende persoon en anderzijds een afgezonderd aspect, dat niet in dit beeld lijkt te passen en dat we “de verlanger” kunnen noemen. De beschaafde ofwel psychisch en maatschappelijk geïntegreerde persona wordt steeds geconfronteerd met de begeertes van de verlanger, begeertes die hem lijken te gronde te willen richten, of die in ieder geval per definitie het nieuwe najagen en dus het oude (en vertrouwde) ondermijnen. Voor Eros R. vertoont zijn vriendin en de beoogde moeder van zijn kinderen een analogie met het beschaafde zelfbeeld, met wat hij beschouwt als zijn innerlijk; wat hij als het ware in zich meedraagt, wat hem eigen is, waar hij zich thuis voelt. Zij heeft dan ook schoonheid “van binnen”: de grens van zijn eigen ‘binnen’ correspondeert exact met de grens van zijn perceptie van haar. Die grens is ook precies de plek waar ‘de verlanger’ het overneemt en Calypso ontwaart, op haar Eiland van Alle Mogelijkheden. En als Eros géén “leugen vertelt”, moet hij toegeven dat zij een lichamelijke kant, iets uiterlijks, heeft dat hem aantrekt. Met andere woorden, juist omdat de vriendin, de heilige, wijze, beschaafde raadgeefster, volstrekt met (het zelfbeeld van) het subject geassimileerd is, in hem opgenomen is als veilig bezit, kan zij niet langer het object zijn van zijn begeerte. Dus spreekt de stereotypische Calypso in de buitenwereld van het subject dingen in hem aan waarvoor hij in zijn relatie met Penelope, in zijn binnenwereld, geen taal kan vinden, zodat hij haar een leugen vertelt. Verlangens die alleen gevat kunnen worden in de steeds nog uit te vinden taal van het nieuwe; het andere, dat niet naar vertrouwde woorden vertaald kan worden. Zijn begeerte vindt slechts verlossing bij wat hij niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk buitenshuis vindt: bij wat traditioneel gezien werd als de hoer, bij het object dat uitsluitend bestaat ter bevrijding van ondeugende verlangens.

 

Of misschien toch bij zijn vriendin? Misschien, maar dan wel die ‘heel andere’ verschijningsvorm van haar. Veel mannen, die de twee kanten van zichzelf niet zien als twee complementaire aspecten van de eigen persoon en dientengevolge vrouwen indelen zoals Eros R., kunnen hun vriendin toch beschouwen als zowel Penelope als Calypso. Maar dit betekent niet dat de vriendin dan beschouwd wordt als een eenheid, mysterieuze combinatie van beide types tegelijkertijd. Er moet zich een gedaantewisseling voordoen in de slaapkamer – of waar de vervulling van verlangens zich ook maar afspeelt – waarbij de betrouwbare Haven van Zekerheid tot Sirene van het Onbekende verwordt. Waarbij de maagd de hoer wordt. Om te illustreren dat niet alleen mannen vrouwen seksistisch benaderen zal ik een voorbeeld aanvoeren van vergelijkbare dubbele stereotypering door een vrouw. Ik las laatst een artikel over moederschap en borstvoeding, waarin één van de geïnterviewde moeders onthulde, dat zij haar baby de borst niet gaf, omdat zij haar borsten associeerde “met seks”. Haar ‘seksuele functie’ en haar rol van moeder mochten dus niets met elkaar te maken hebben. In onze maatschappij heeft de vrouw de vrijheid te kiezen waarvoor zij haar borsten inzet, en dat is een heel groot goed. Alleen is in een geval zoals dit de keuze, mijns inziens, gebaseerd op de veronachtzaming van het feit dat deze lichaamsdelen de onlosmakelijke samenhang van het principe van thuishaven en van object van verlangen heel mooi en zinvol kunnen symboliseren. Hoe dit ook zij, voor de vrouw in kwestie is de associatie tussen baby en “seks” blijkbaar volstrekt ongepast. Om het bestaan van haar baby te verklaren moeten we ons dus beroepen op het concept van de onbevlekte ontvangenis. In ieder geval niet op “seks”.

 

Inderdaad zien we dezelfde thema’s gereflecteerd in de verdinglijking van “seks”, herkenbaar in wat de seksualisering van de samenleving genoemd wordt. “Seks”, lange tijd geassocieerd met het verbodene, wordt nu, vooral in de media, aan ons gepresenteerd als spannend speeltje. Dat wat van ons beschaafde zelf eigenlijk niet mag (het toegeven aan de verlokkingen van het vlees) doen we nu lekker en openlijk en op vele manieren toch; het ooit door de beschaving opgesloten beest is losgeslagen en bespringt ons van alle kanten om de lofzang te zingen op het genot. Op deze manier blijft “seks” duidelijk omlijnd als het gemarginaliseerde fenomeen, omdat dat wat eerst niet bij het leven mocht horen er nu bovenop wordt geplaatst, als iets dat ‘erbij komt’. Het verlangen op zich blijft op veilige afstand van het dagelijks leven… 

 

Maar misschien gaat het ten diepste helemaal niet om iets dat alleen maar spannend is en genietbaar in contrast met wat eigenlijk hóórt. Misschien gaat het hier eigenlijk om een absoluut principe waarvan wijzelf, hoe we het ook wenden of keren, altijd dienaar zijn en dat die eredienst waard is. Over onze diepste drijfveer, over dat wat maakt dat we willen scheppen, over de schepping zelf. Als we moderne analytische psychologen willen geloven, maar al veel eerder de antieke Grieken, is die drijfveer namelijk Eros. Niet de zanger, maar de god. Het principe van het Verlangen als zodanig.

 

 

Het is deze Eros, die verduidelijkt waarom de vrouw als object beschouwd moet worden. Verlangens bestaan uitsluitend en per definitie niet voor het eigene, hetgeen het subject toebehoort, maar voor het object: het andere. Niet voor wat je al geassimileerd hebt, maar voor het nieuwe. En elk bijzonder handelen, elk scheppen, initieert in verlangen, in Eros.

 

Nog één keer zou ik willen verwijzen naar een oude Griek. Plato stelde dat het verlangen in haar meest zuivere vorm zich richt op het in principe onbereikbare en onassimileerbare, het Andere. Hij noemde het ook wel het Schone, het Goede, en het Ware. En dat interactie met waardige (en als zodanig erkende) afbeeldingen van dit Object in de praktijk steeds geboorte geeft aan het Nieuwe, omdat bewondering voor en verlangen naar iemand maakt dat we het beste in onszelf naar voren willen brengen, verlangend gezien te worden en wel in een goed licht. Volgens Plato is het Eros die ons betere mensen maakt, want in ons verlangen naar een object (afbeelding van het Object) voelen wij onszelf ook gezien als object, door ons object, dat net zoals wij een Heilig of beschaafd innerlijk heeft dat subject is. Wetende dat we object zijn voor iets zoals onszelf, streven we ernaar een meer waardige afbeelding te worden. Een object dat zo mooi is, zo goed, en zo waar, dat het voor een subject dat een werkelijke ontmoeting aan wil gaan, onmogelijk is het als incarnatie van zijn zinnelijke begeertes te behandelen en al even ondenkbaar het volledig te assimileren of reduceren tot oud en vertrouwd deel van zichzelf, rib van Adam.

 

In het dagelijks leven zijn we allemaal objecten voor elkaar. Dat is een simpel gegeven, volgend uit de noodzakelijke scheiding die tussen individuen bestaat of althans ervaren wordt. Voor elkaar zijn we een ander, zijn we de Ander. Ieder ander individu is in zekere, en belangrijke, zin een voorbeeld van het niet-ik, van het Object zelf. Als we stereotypes steeds opschorten, dan wordt duidelijk dat we allemaal een eenheid van tegenstellingen zijn: ware subjecten vanuit onszelf, en ware objecten voor de ander.

De wonderlijke mogelijkheid, dat het “object” – in de besproken voorbeelden de vrouw in de ogen van vooral de man, maar hetzelfde geldt natuurlijk voor de man als object, en voor elke ander als object – in essentie en in zijn geheel tegelijkertijd zowel Calypso is als Penelope; zowel verleidster als thuishaven; en zowel aanstichter als matrix van creativiteit, lijkt niet alleen veel mannen, maar ook de meeste vrouwen zelf te mooi om waar te zijn. Maar dit is de werkelijke aard van de Ander, van de ander als object in de zin van afbeelding van het absolute Object: paradox, eenheid van tegenstellingen, begin- en eindpunt van onze verlangens.

‚Äč

De Filosoof - 1000px - Logo web.png

© 2019 J. Pijnenburg