"Esoterie" tussen individu en ander

De media hebben vorige maand (mei 2014) relatief aardig wat aandacht besteed aan de ‘westerse esoterie’ ofwel de hiermee synonieme ‘hermetische filosofie en verwante stromingen’. Filosofie Magazine wijdde een artikeltje aan de legendarische filosoof Hermes Trismegistus en Trouw publiceerde een interview van Marije van Beek met de Groningse hoogleraar Religiestudies Kocku von Stuckrad, naar aanleiding van diens net gepubliceerde boek Esoterie: De zoektocht naar absolute kennis. (Een vertaling van het Duitse origineel uit 2003, eerder al vertaald naar het Engels.) Tijd om hier een paar punten uit te lichten, uit beide artikelen en het boek, en daarmee misschien de relevantie van wat ‘westerse esoterie’ genoemd wordt voor de filosofie wat te verduidelijken.

 

Ondanks de invloed op de geschiedenis van het denken van hermetisch geïnspireerde filosofen zoals de humanist Marsilio Ficino en de aandacht in de antieke hermetische teksten voor onderwerpen binnen de klassieke takken van de wijsbegeerte, worden de wijsgerig georiënteerde teksten van de Hermetica nog altijd meestal niet geschaard onder de filosofie. Dat dit zo is komt ongetwijfeld mede door de theologische inslag van veel van de betreffende teksten, die maakte dat ze vaak – veelal niet geheel of in het geheel niet terecht – als niet ‘rationeel’ werden beschouwd. Daarnaast is een meer algemene historische oorzaak dat de hermetische filosofie en de ermee verwante esoterie door de geschiedenis van het westen heen de rol van de ‘ander’ hebben gespeeld: zij vonden binnen de institutionele religieuze en intellectuele bolwerken en binnen de canon van de filosofie maar weinig plaats. Von Stuckrad noemt dit de factor van ‘alteriteit’, en die was er een belangrijke oorzaak van dat esoterici en hermetische filosofen in de geschiedenis weinig serieus genomen zijn door de heersende cultuur en dat er nog steeds een wat vertekend beeld over ze bestaat, ook in de academie en specifiek de historiografie.

 

Mooi dus, en wat mij betreft terecht, dat Filosofie Magazine een artikel wijdde aan Hermes Trismegistus, de legendarische profeet en filosoof, naar wie de hermetische teksten uit de eerste eeuwen na het begin van onze jaartelling zijn vernoemd. Het artikel bevat wel een aantal behoorlijke historische schuivers (drie voorbeelden: Giovanni Pico della Mirandola en Marsilio Ficino zouden erop uit zijn geweest zich af te zetten tegen de alleenheerschappij van de katholieke kerk; Umberto Eco heeft veel gestudeerd in de Amsterdamse Bibliotheca Philosophica Hermetica; en de schrijvers van de hermetische teksten uit het begin van de jaartelling hadden een definitie van 'filosofie', en die hield niet in dat het hoogste doel voor de mens was zo wijs mogelijk te worden). Gelukkig brengen de auteurs in ieder geval de grote invloed van ‘Hermes’ op de geschiedenis van westers denken en cultuur naar de voorgrond. En vooral goed dat ze ingaan op een echt centraal element in de hermetische filosofie: de unieke positie die de mens zou innemen binnen het universum, omdat hij, als samenstelling van ziel en lichaam, een schakel zou zijn tussen het hogere en het lagere. De mens, een “groot wonder” volgens één van de hermetische traktaten, kan ofwel in het materiële blijven hangen, òf zijn weg vinden naar de hogere sferen van zijn eigen goddelijke oorsprong, zijn ziel of geest. De vroegmoderne filosofen Ficino en Pico waren daarom, zoals de auteurs terecht schrijven, “sterk op de emancipatie van het individu gericht”.

 

In het interview met Trouw wordt duidelijk dat von Stuckrad juist dit onderscheid tussen geest of ziel en lichaam als een belangrijk aspect van esoterisch gedachtegoed beschouwt. Het onderscheid kwam al voor in de oudste Griekse filosofie en is in feite “door en door Platoons”; en zoals hij stelt in zijn boek is de esoterie dat ook. Maar belangrijker nog: in esoterisch gedachtegoed, en dan met name de mystieke varianten, wordt volgens von Stuckrad bovendien nadruk gelegd op de eigen autoriteit van die afzonderlijke ziel, wat uitnodigt tot zelfstandig denken:  

‚Äč

"In de esoterie, en vooral in de mystiek, is er altijd een focus geweest op het individu. Je gelooft niet zomaar wat de priester zegt, nee, je onderzoekt dat zelf, door tekenen, visioenen of andere religieuze ervaringen. Zo kon je onafhankelijk denken. Dat onderscheid tussen je innerlijke kern en het fysieke, is een kenmerk van de Europese cultuur sinds de Oudheid."

 

Deze voorstelling van de eigen kracht en kennis van de mens is inderdaad een typisch kenmerk van veel hermetische en esoterische filosofie. Interessant is dat deze autoriteit vaak ingezet is om de filosofische spanning tussen twee veel voorkomende premissen opgelost te zien. In von Stuckrads boek laat zich die spanning eveneens zien, namelijk in zijn typering van het esoterische gedachtegoed. Enerzijds noemde ik al het door hem benadrukte thema van het onderscheid tussen lichaam en ziel; en anderzijds is er de eveneens door hem onderstreepte visie van de kosmos als een fundamentele eenheid, een ‘monistisch’ geheel. Deze spanning bestaat ook in het historische materiaal. De meeste Platonisten en vele esoterici waren erg bezig met vragen die neerkomen op de volgende: hoe verhouden zich het goddelijke en het aardse, het hogere en het lagere, of het geestelijke en het materiële tot elkaar, zijn ze gescheiden of in zekere zin een eenheid? Het antwoord vinden we veelal juist bij wat von Stuckrad de “focus op het individu” noemde. De clou zit ‘m dan in de these waarmee de uniekheid en autoriteit van de mens als soort in veel esoterische literatuur verklaard wordt: de “innerlijke kern” symboliseert, staat in nauwe relatie tot, of is identiek aan, de universele bron via welke alles met alles gedacht wordt verbonden te zijn. Deze bron wordt meestal de Geest, de Wereldziel, het Ene, of God genoemd. De vraag hoe de gescheidenheid binnen het individu te rijmen is met een universum dat juist gekenmerkt wordt door eenheid, wordt dus beantwoord met de paradoxale stelling dat die individu, dat deel, ten diepste ook het geheel is. (Harry Mulisch, om iemand te noemen, heeft in zijn Compositie van de wereld laten zien waarom zo’n stelling niet per se illegitiem is; de beroemde paradox van de sofist Zeno is ook in de hedendaagse logica nog niet opgelost.)

 

Een ander punt dat von Stuckrad noemt in het interview met Trouw is dat in westers, of in ieder geval Europees, esoterisch gedachtegoed veel vertrouwen zou worden gesteld in de mogelijkheid van een universele, algemene of absolute vorm van kennis, die veelal te bereiken zou zijn door middel van intellectuele activiteit, namelijk schrijven en lezen:

 

"De obsessie met lezen en schrijven is heel Europees. Het geschrevene als het ultieme, de kosmos die gecodeerd is, en waarin de sleutel tot het laatste geheim te vinden is - dat geloven we allemaal nog steeds."

 

Als voorbeelden noemt hij de kabbalah en de natuurfilosofen en artsen, die de natuur, de mens en het universum vaak zagen als een boek dat begrepen kon worden door wie de tekens van de natuur kon lezen. Von Stuckrad merkt op dat eenzelfde beeld van de leesbaarheid van de natuur nu nog gebruikt wordt om natuurwetenschappelijke gegevens te verhelderen of beschrijven. Zo wordt het menselijk genenbestand wel beschouwd als een taal waarin een mens geschreven zou zijn en worden; een hedendaagse versie van een oud en veelal esoterisch thema. (Over de ‘Lesbarkeit der Welt’ in de westerse cultuurgeschiedenis schreven onder anderen ook de Duitse filosoof en historicus Hans Blumenberg en Umberto Eco.)

 

Even terugkomen nog op de genoemde ‘alteriteit’, ofwel de esoterie en hermetische filosofie als het ‘andere’. Het is dus vaak zo geweest dat juist denkers, dokters en mystici die vertrouwden op de ‘eigen wijsheid’ ofwel de autoriteit van het individu, door de gevestigde of zich vestigende orde – veelal de kerk – verguisd werden en tot ‘ander’ bestempeld. Dit betekende overigens niet dat de zo onderschoven ideeën en stromingen vervolgens geen invloed meer hadden en dat hun werk niet meer gelezen werd. De fascinatie voor ketterse ideeën hield ondanks, of misschien dankzij, verbod vaak juist aan. De archieven van de inquisitie uit de vroegmoderne periode staan er bol van en de inquisitoren hadden hun handen vol. En dat terwijl ze eigenlijk maar een topje van de eventueel te censureren ijsberg te zien kregen, want veelal kwamen ze alleen toe aan de werken die bij toeval door derden als verdacht materiaal werden ingebracht. (Hierover is meer te lezen in bijvoorbeeld Leen Spruit en Ugo Baldini, Catholic Church and Modern Science.)

 

De geschiedenis van de westerse esoterie en mystieke en hermetische filosofie is dus in zekere mate de geschiedenis van de ‘ander’. In zijn werk benadrukt von Stuckrad het ‘discursieve’ element van zulk ‘ander-maken’; het tot-ander-bestempelen wordt in de eerst plaats gepresenteerd als een structureel element van hoe gepraat en gedacht werd en wordt over wat eigen is en wat anders. De identiteiten van zowel meerderheid als minderheid zijn en worden altijd mede gevormd door middel van uitsluiting, dat wil zeggen benoeming van wat men niet met die identiteit wil associëren. In de westerse cultuurgeschiedenis is de andersheid van esoterisch gedachtegoed zowel door vertegenwoordigers van de meerderheid als door de esoterische minderheden zelf benadrukt, beide ter afbakening van hun eigen identiteit, waarbij vaak belangrijke kennis voor zich geclaimd werd. Von Stuckrad koppelt dit in zijn boek (blz. 24) bovendien weer aan de autoriteit van het individu:

 

"Enerzijds sluit de meerderheid ‘het andere’ uit, anderzijds sluit de minderheid zichzelf uit door een alternatief zingevingsmodel. Deze discussie wordt aangescherpt door de claims van de minderheden dat ze de ‘eigenlijke’ kennis individueel beschikbaar maken. Veel esoterische fenomenen vallen binnen het kader van deviante religieuze opties."

 

Von Stuckrad is zeker niet de enige in de historiografie van esoterie en mystieke filosofie die ‘alteriteit’ benadrukt. Om in Nederland te blijven: Wouter Hanegraaff, hoogleraar aan de UvA, ziet westerse esoterie als een fenomeen dat grotendeels bestaat in haar 'andersheid'. Hanegraaff legt de nadruk op het historische gegeven dat de figuren, stromingen en manieren van denken en doen die ‘westerse esoterie’ genoemd worden in de geschiedenis keer op keer op polemische wijze als de ‘ander’ weggezet werden. Bovendien werden de ideeën en hun oorspronkelijke verkondigers, veelal platonisten, zowel door voor- als tegenstanders beschouwd als de exotische, ‘oosterse’ ander en zowel op een positieve als een negatieve manier geassocieerd met voorchristelijk heidendom.Voor de heersende christelijke orde en vervolgens het Verlichtingsdenken werden de ideeën van deze exotische figuren “rejected knowledge”, afgewezen kennis. Anders dan von Stuckrad benadrukt Hanegraaff dus niet het discursieve, maar het historische en het proces.

 

Hanegraaff en von Stuckrad verschillen onderling van inzicht over de theorie en methode waarmee de ‘alteriteit’ en de daarmee gepaarde vorming van de grote lijnen in de geschiedenis van de esoterische en hermetische stromingen gevat kunnen worden, maar het is veelzeggend dat beide deze ‘andersheid’ en haar historiciteit überhaupt als kenmerkend beschouwen voor 'esoterie'. Hanegraaffs eigen introductie tot de westerse esoterie, Western Esotericism: A Guide for the Perplexed, komt eind dit jaar of volgend jaar uit in Nederlandse vertaling.

 

 

De academische studie van esoterie en Hermetische filosofie

 

De leerstoelgroep “Geschiedenis van de Hermetische filosofie en verwante stromingen” aan de Universiteit van Amsterdam is uniek in haar soort. Het is de enige instelling ter wereld waar een volledige wetenschappelijke staf aangesteld is die zich richt op onderzoek en onderwijs in de geschiedenis van onderwerpen zoals de westerse esoterie, magie, alchemie en mystieke en Hermetische filosofie. Dit jaar bestaat de leerstoelgroep vijftien jaar. Maar sinds enkele jaren biedt ook de Rijksuniversiteit Groningen een traject op dit gebied, onder leiding van de genoemde auteur van Esoterie, Kocku von Stuckrad. De afgelopen jaren is Nederland duidelijk een internationaal centrum geworden in dit vakgebied.

 

Zelf heb ik mijn MA gehaald bij de leerstoelgroep Hermetische filosofie en verwante stromingen aan de UvA, waar ik vol enthousiasme in de collegebanken zat bij beide bovengenoemde auteurs. Ik ben nog aan de UvA verbonden, maar geef buiten die context afzonderlijk te volgen cursussen over de geschiedenis van esoterie en hermetische filosofie. 

De Filosoof - 1000px - Logo web.png

© 2019 J. Pijnenburg